Muzische vorming: Opdracht: 1 AKO:
1) Situering t.o.v. dans, drama, muzische taal, beeld , muziek en media.
Cirkel 1: IK:
Ben ik bezig met…? Ervaring…?
1) Dans:
Ik ben wel wat met dans bezig geweest. Dit was in de periode toen ik zelf nog een puber was. Deze soorten dansen heb ik gedaan:
• Disco-dans (kinderdisco)
• Jazz-dans
• Bougie, Cha cha cha,.. met mijn moeder.
Bewegen op muziek is fijn. Afhankelijk van het soort muziek, het ritme van de muziek, je partner, … word je geleid en kan je je uiten.
Nu doe ik eigenlijk nog alleen zumba-fitness. De muziek die hierin gebruikt wordt is ook heel variërend, snelle muziek, rustige muziek..
Ben ik bezig met…? Ervaring…?
2) Muziek:Ik en muziek:
Ik luister graag naar muziek, vooral naar de radio. Ik heb kennis van muzieknoten, van akkoorden, maar zou dit wel allemaal nog beter willen kennen en kunnen. Ik heb enkele instrumenten: blokfluit, keyboard, accordeon. Ik heb vaak lessen gevolgd, maar wegens tijdgebrek ben ik eigenlijk wat met muziek gestopt. De liedjes die mij werden aangeboden vond ik vaak ook ouderwets en sprak niet aan, vandaar dat men interesse ook minder werd. Ik luister graag naar rustige muziek (slows, muziek waarbij je kan nadenken..) maar ik hou ook wel van dansmuziek.
Af en toe kon ik wel een paar noten van een liedje (gehoord op de radio) linken op de toetsen van mijn Keyboard, maar nogmaals, ik ben er veel te weinig mee bezig om te zeggen dat ik het kan. Gitaarmuziek dat boeit me ook wel. Ik heb er ooit eens gekocht, maar terug verkocht omdat ik het zelf niet kon leren, en om nog meer lessen te volgen had ik echter geen tijd. Als ik denk aan muziek, dan denk ik terug aan een les Beeldende opvoeding: een lied van Mozart. Wij moesten ons toen creatief uiten op papier, dit op de tonen van de muziek. Ik vond dit ook wel een leuke opdracht. Waaraan denk ik nog als ik op muziek denk: de duur van een noot, notenleer: arm/hand op tafel, arm/hand in de lucht en zeker ook zingen!
Wanneer ik de radio opzet, of zelf muziek maak, dan begin ik nog al eens vlug mee te zingen. Of ik kan zingen, durf ik niet zeggen, ik vind niet dat het heel slecht is, maar ik zal nooit geen zangeres worden.
Ben ik bezig met…? Ervaring…?
3) Drama:
Met drama ben ik heel weinig bezig. In mijn puberperiode ging ik wel eens naar toneel met mijn ouders. Nu is dit iets wat me weinig aanspreekt. Wat vind ik leuk aan toneel: het echte, je ziet de mensen echt bezig, je hoort deze hun teksten opzeggen in dialoog met iemand anders, de taal is niet altijd AN wat het wel leuk maakt. Als ik denk aan toneel, dan denk ik aan lachen, aan een boodschap willen meegeven, het echte, decor, belichting, doek.
Ik zou wel eens graag gaan kijken naar het theaterstuk: “ de Sound of Music”. Ik heb de film al vaak gezien. Wat ik daar mooi aan vind, is de vreugde die Maria daar brengt, met muziek en spel. Met de reeks op VTM: Op zoek naar Maria, ben ik echt wel benieuwd hoe dit in het theater zou gespeeld worden. Wat die Maria allemaal met haar stem kon, chapeau!
Ben ik bezig met…? Ervaring…?
4) Taal:
Actief als schrijver van taal ben ik er echt niet mee bezig. Ik kan wel een beetje muzische taal lezen, door middel van noten lezen = partituur. Maar verder helaas niet. Wat ik wel tof vind, is expressie: gedichtjes/versjes vertellen met bewegingen, verschillende stemmetjes… Als ik denk aan taal, dan denk ik ook aan Beeldende opvoeding. Een kleur benoemen, bv. Rood: is een kleur, een warme kleur, kan kleur van pijn zijn, kleur van bloed. Voor mij ligt taal kortbij verschillende items: in beeld, in muziek, in drama,… Met taal kan ik me verwoorden, kan ik me uiten, kan ik me laten horen.
Ben ik bezig met…? Ervaring…?
5) Beeld:
Ik kan wel creatief zijn. Ik knutsel wel graag. Voor mij is beeld: experimenteren met verf, met bepaalde materialen... Ik kan me uiten in iets wat ik beleefd heb (bv. tekenen op muziek). Niet altijd even goed, maar toch probeer ik dit. Ik zal eigenlijk alleen maar echt met beeld bezig zijn, in functie van mijn stage of een vriendin die me vraagt om mee te gaan naar een les. Echt in mijn privé, heb ik minder tijd om hierin te kunnen doorgroeien.
Wat ik wel graag doe is bloemschikken, a.d.h.v. verschillende materialen en structuren een bloemstuk maken. Dit deed ik vroeger samen met mijn mama via K.V.L.V.
Ben ik bezig met…? Ervaring…?
6) Media:
Als ik mij de vraag moet stellen, ben ik bezig met media, dan moet ik al eerst denken:
Wat houdt Media in:
Computer, internet, TV, GSM, radio, CD, DVD-speler, DVD…
Voor mijn werk ben ik heel vaak met de computer bezig. Ik doe bijna niets anders dan bestelbonnen maken via Excel. Internet: hier maak ik redelijk wat gebruik van. Het is een zoekmachine, die vaak meer mogelijkheden biedt (voor mij dan) dan naar een bibliotheek te gaan. Ik gebruik internet o.a. voor info op te zoeken betreffende mijn taken, voor mijn plezier…
Tv-kijken doe ik ook zelden nog. Echte goede programma’s zijn er niet op, en met mijn huishoudelijke taken, heb ik ook niet steeds de kans om voor de TV te zitten. Wat ik nu wel leuk vind is de nieuwe Tv-zender: Kzoom. Met deze zender kan je de oude kinderprogramma’s van vroeger zoals Pippi Langkous nog eens herbekijken. Ook van andere media-apparaten maak ik weinig gebruik.
Cirkel 2: Beschouwer:
Op welke manier kijk ik naar…? Welk gevoel…? Wat moet ik ontwikkelen in functie van mijn werk met kinderen?
1) Dans:
Als ik kijk naar het muzische, dan denk ik dat ik redelijk mijn plan zou kunnen trekken. Ik zou op een leuke manier danspasjes kunnen opzoeken en aanleren.
Het gevoel dat ik heb met dans, is mij kunnen uiten, iets kunnen uitbeelden, bewegen. Om zelf iets aan te leren moet je vaak oefenen. Om een kind iets aan te leren, moet je het zelf al onder de knie hebben, moet je een beetje voeling hebben met ritme en muziek, moet je motiveren en uitnodigen om een kind laten mee te doen. Een positieve, uitdagende ingesteldheid!
Voor mij betekent dans en ritme het samen plezier beleven in de uitvoering ervan. Dans en taal ligt hier kort bij elkaar, neem nu bewegingsexpressie: de zak van Piet: je kan volgende begrippen aanhalen: de zware zak van Piet, gaan wij hem helpen, kleuters? En dan stappen alsof deze zak enorm zwaar is, evenwel een lege zak, is niet zwaar, is licht, en dan kunnen we gemakkelijk stappen ( op tempo), vlug stappen = Piet is fit! Traag stappen = Piet is moe! Hij heeft hard gewerkt. Dans en muziek en taal, geeft inlevingsvermogen, laat begrippen ontdekken en geeft vooral plezier!
Toch zou ik hierin:
• sterker willen worden,
• meer ideeën krijgen,
• zoeken, uitzoeken,
• uitproberen…
Ik wil vooral leuke dingen kunnen aanbieden, en hierin wil ik zeker en vast verder ontwikkelen. Zoeken naar wat kunnen kinderen op 2,5 – 3-jaar, op 4 – 5-jaar, op 5 – 6-jaar.
Wat leeft in hun wereld, wat doe ik met welk thema, wat bied ik aan? Welke materialen kunnen we gebruiken in een bewegingsmoment…
Op welke manier kijk ik naar…? Welk gevoel…? Wat moet ik ontwikkelen in functie van mijn werk met kinderen?
2) Muziek:
Muziek maakt mij blij, soms ook nerveus of ambetant, vaak ook op emotionele momenten droevig. Grotendeels vind ik muziek leuk. Al spelenderwijs kan je muziek aanbrengen, liedjes aanleren. Muziek kan gebruikt worden om sfeer te scheppen. Muziek doet me denken aan feest, aan dansen, aan zingen. Er zijn verschillende mogelijkheden om muziek te maken, met je lichaam, met instrumenten, zelf instrumenten maken, beeldmateriaal,…
Muziek omvat vele begrippen door de kinderen te ondervinden en verwoordbaar:
• zacht,
• luid,
• hoog,
• laag,
• vrolijk,
• boos,
• blij,
• bang,
• …
Muziek is voelen, is horen, is ruiken, is smaken is zien, is aanraken, is ervaren, een vertrekpunt voor het beleven door het kind.
Wat wil ik nog verder ontwikkelen?
Ik zou mezelf nog verder willen zoeken in muziek. De juiste toon vinden, de juiste maat kennen, de vormen en de structuren leren ontdekken van een lied. Mits het enige tijd geleden is dat ik nog zo met muziek ben bezig geweest heb ik ook nog een weg af te leggen om dit terug opnieuw te leren.
Zelfs als ik de kans en de tijd had, zou ik mij opnieuw een gitaar durven aanschaffen en ook dit instrument nog leren bespelen.
• De juiste manier leren ontdekken om kinderen een lied aan te leren,
• Verschillende manieren leren zoeken: doe ik dit met een prenten?
• Kan dit met een CD?
• Een blokfluit - instrument?
• Wat zijn de meest aangewezen manieren om muziek in de kleuterklas te brengen?
• Kan ik sfeer in de klas brengen door een CD op te zetten, is dit niet storend om werkjes te maken?
• Kan dit alleen tijdens het vrije kiesuur?
• Wat vinden de kleuters leuk? Wat spreekt hun aan?
• Wat is haalbaar voor mij?
Op welke manier kijk ik naar…? Welk gevoel…? Wat moet ik ontwikkelen in functie van mijn werk met kinderen?
3) Drama:
Mijn gevoel over drama zegt: Ik ben er weinig of niet mee bezig, maar vind dit wel leuk en wil hier werk van maken om het te leren.
Voor mezelf leg ik met drama de link naar toneel, misschien ook nog wel het uitbeelden van een versje (vak Expressie). Expressief uiten, verschillende houdingen kunnen aantonen van iemand die bang is, die boos is, die verlegen is, die hoogmoedig is…
Drama is voor mij een rol over iets of iemand kunnen overnemen, deze uiten of herkenbaar maken.
Wat wil ik verder kunnen ontwikkelen en bereiken?
• Een drempel oversteken;
• Durven toneel spelen;
• Verhaaltjes brengen aan de kleuters op verschillende manieren; deze verschillende mogelijkheden onderzoeken;
• A.d.h.v. poppenspel: handpoppen;
• A.d.h.v. poppenspel: waardeverhaal met decor en attributen: plasticine (paddenstoelen kneden: verhaal werd gestart met 1 paddenstoel, attributen zoals zelfgemaakte boompjes aanbrengen = decor.., een volgende paddenstoel kneden: heb ik gezien tijdens stage: idee van mijn stagementor, de kleuters waren geboeid, kunnen hun voorstellingsvermogen oefenen, genieten ervan, en kunnen de waarden uit het verhaal halen en bespreken…);
• 1-mans toneel met een paar rollen: ‘ stem ‘ afhankelijk aantal personages.
Op welke manier kijk ik naar…? Welk gevoel…? Wat moet ik ontwikkelen in functie van mijn werk met kinderen?
4) Taal:
Hoe kijk ik naar taal?
Taal komt voor mij overal aan bod, in het geheel muzische vorming.
Taal is heel belangrijk, om je te uiten, om dingen goed te verwoorden, om kinderen materialen, klanken, instrumenten leren te ontdekken, bespreken en te kennen.
Het is belangrijk dat je je gevoelens kan verwoorden. Ik kan al spelen, ik kan al dansen, al springen, al zingen, al prenten / symbolen lezen / bespreken. A.d.h.v. de verschillende onderdelen muzische vorming leren wij (zowel kleuters, lage schoolkinderen, jeugd, volwassenen…) ons uiten in taal, in beeld, in gevoel. Zo kijk ik naar taal. We kunnen een lied herkennen, we kunnen een kleur benoemen en vergelijkingen maken.
Wat wil ik verder kunnen ontwikkelen en bereiken?
• Ik wil taal in alle mogelijke begrippen en vormen verder leren ontwikkelen. Ik zoek vaak naar de juiste benamingen van een instrument, of een materiaal, dus wil ik hier ook beter in worden.
• Ik wil de kleuters de juiste woorden aanreiken, dat zij zichzelf in het leven juist kunnen verwoorden.
• Ik wil meer op gebied van een verhaal, zelf aanpassingen kunnen doen, een prentenverhaal: vereenvoudigen, bepaalde woorden veranderen in een begrijpbare taal voor het kind.
• Ik wil op vlak van muzische taal, de noten weer vlot en correct kunnen lezen en spelen.
• Ik wil op gebied van taal: oefenen op stem, zodat ik een verteller, een grote beer, een kleine beer,… kan zijn.
Op welke manier kijk ik naar…? Welk gevoel…? Wat moet ik ontwikkelen in functie van mijn werk met kinderen?
5) Beeld:
Beeld is voor mij, experimenteren, knutselen, expressief uiten, vorm geven, jezelf leren kennen: wat kan ik goed, wat zijn mijn beperkingen.
Ik stel me volgende vragen:
• Wat zie ik?
• Wat voel ik?
• Wat denk ik?
• Wat kan ik hiermee doen?
Met beeld kan je vele dingen ontdekken, en dit op spelenderwijze.
In klei of plasticine kan je knijpen, je ontdekt dat dit hard is en na het knijpen zacht wordt.
Werken met verf: verf is nat, maar wordt droog.
Kleuren met een kleurpotlood, een stift, een wasco, houtskool….
Kleuren: licht en donker…
Met beeld kan je vele dingen gebruiken, en dit op spelenderwijze.
Je lichaam: je hand tekenen, je hand in verf plaatsen en afdrukken op een blad, de schaar vasthouden en knippen..
Je kan werken met een vorm.
Materialen..
Beeldopvoeding werkt voor mij ontspannend. Natuurlijk voor een kleuter kan dit spannend zijn, wanneer hij of zij het wat moeilijk heeft met te knippen (bijvoorbeeld). Hiervoor kan je dan wel aanmoedigen en instructies geven. Belangrijk is dat iedereen zich goed voelt en er plezier aan kan beleven.
Wat wil ik verder kunnen ontwikkelen en bereiken?
• Materialen leren kennen: welke lijm? Hoe maak ik papier-maché?
• Welke materialen zijn te hanteren door welke leeftijd?
• Wat kan ik aanbieden afhankelijk van de leeftijdsgroep?
• Hoe kan ik dit begeleiden? Wat doe ik? Wat doet de kleuter?
• Hoe verloopt dit in groepswerk: rustig, storend, lawaaierig?
• Welke afvalmaterialen kan ik gebruiken en verzamelen?
• Leren toffe activiteiten zoeken.
Ik vind dit heel tof maar heb jammer genoeg weinig kans tot ontspanning. Ook weer wegens tijdgebrek.
Op welke manier kijk ik naar…? Welk gevoel…? Wat moet ik ontwikkelen in functie van mijn werk met kinderen?
6) Media:
Media blijf ik moeilijk vinden. Hoe kijk ik naar media? Er is zoveel aanbod in de media, waardoor ik vaak denk bij sommige gezinnen, hoe is het mogelijk: altijd maar die TV op, doe eens wat leuk met uw kinderen. Kinderen zitten vaak voor een PC, voor de TV, hebben zovele spelletjes: gameboy, Nintendo,… In mijn stageklas is een computer en een tv. De computerhoek wordt regelmatig opengesteld in het vrije kiesuur. Afhankelijk van het (week) thema krijgen zij de kans om een spel te spelen, al spelenderwijs leren zij tellen, diertjes zoeken en vangen, leren zij dingen benoemen die gevraagd worden om te zoeken. Er staat ook een TV in de klas, en als alle verplichte taken gedaan zijn, krijgen zij regelmatig vrijdagnamiddag de kans om een filmpje te kijken. Eigenlijk wel tof en een mooie stimulans om de kinderen in een ritme te krijgen, eerst werken, dan spelen.
Wat ik moet ontwikkelen voor mezelf is, eerst en vooral me volgende vragen te stellen:
• Wat is media?
• Wat kan je hiermee doen?
• Hoe ga je om met een computer en een tv in de klas?
• Wat is gebruikelijk?
• Wat mag in de school? Wat mag in de klas?
• Welke kennis moet een kleuter krijgen door om te gaan met een computer in de klas?
Cirkel 3: Overdrager:
Welke doelen kan ik de respectievelijke deelleerplannen al realiseren? Welke niet?
1) Dans/bewegingsexpressie:
Afhankelijk van de beginsituatie:
Eerst reflecteren over wat kan ik met mijn thema doen? Welke leeftijd hebben de kleuters? Wat kunnen de kinderen fysisch? Met welke gevoelens: vreugde, angst, boos… ? Waar beleven zij plezier in? Hoe kan ik de kleuters stimuleren? Hoe laat ik deze actief / spontaan meedoen?
1. Kinderen experimenteren met en bekwamen zich in de uitdrukkingsmogelijkheden van hun lichaam.
Dat houdt in dat ze:
1.1 genieten van hun lichaam in beweging,
1.2 verschillende houdingen en bewegingen exploreren
1.3 spontaan meebewegen op muziek,
1.4 waargenomen klanken omzetten in beweging
1.5 een persoonlijke stijl ontwikkelen en durven tonen,
1.6 bewegingsproblemen creatief oplossen.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen.
Doel 1.1: de kleuters kunnen het volgende nabootsen: dieren: kwaken, miauwen, bewegingen van dieren uitvoeren, inleven in Sint en Piet, Heks op de bezem…
Doel 1.2: ter plaatse bewegen, in de ruimte verplaatsen, dit samen met inleving van het thema: Zwarte Piet is moe, zware stappen, traag en moe door de zaal stappen, vlugge Piet: Piet is uitgeslapen: vlug stappen, kan springen, …
Doel 1.3: verschillende mogelijkheden zoeken om op muziek te bewegen, wiegen, klappen, stampen.
Doel 1.4: Luisterspelletjes aanbrengen, bewegen a.d.h.v. muziek/geluiden op de trom: hard of zacht, vlug of traag, fluitje: associëren met een vogel = vliegen (armen hoog en laag door de lucht), belletjes: associëren met een kikker, kwaken en springen als een kikker..
Doel 1.5: de kinderen mogen en kunnen zelf een beweging uitkiezen en uitvoeren.
Doel 1.6: de kinderen vragen om zelf na te denken om een moeilijke beweging anders uit te voeren.
2. Kinderen kunnen zichzelf met een zekere dynamiek in bewegingen aanvoelen en organiseren.
Dat houdt in dat ze:
2.1 spelen met evenwicht in houdingen en bewegingen,
2.2 de lichaamsruimte aanvoelen en gebruiken,
2.3 bewegingsenergie weten te doseren.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen.
Doel 2.1: wanneer de muziek stopt: blijven stilstaan, wanneer de muziek start: terug stappen, lopen,… De kleuters zich laten inleven in een bepaald voorwerp of dier, en afhankelijk de situatie: zich laten bevriezen en weer laten bewegen. Kunnen ook zelf een houding zoeken, de muziek stopt, of de juf klapt in de handen: en staan in hun gekozen houding, de muziek start opnieuw en lopen weer normaal verder…
Doel 2.2: lichaamsruimte aanvoelen en gebruiken: Indien het gaat om huppelen, springen, lopen, kruipen, handen klappen, 2 kleuters die hand in hand lopen, op een lijn wandelen, door kruipen in buizen,… Dan zou ik ook voldoende dit doel kunnen verwerken.
Doel 2.3: moe/fit, bewegen als een poes: poes in de mand, poes die muisjes gaat vangen, bange Piet, luie Piet, … Spelen met allerlei begrippen en bewegingen.
3. Kinderen bewegen vlot in tijd en ruimte.
Dat houdt in dat ze:
3.1 experimenteren met verschillende aspecten van de tijd, zoals duur, tempo en snelheid, volgorde, metrum en ritme,
3.2 zich in de verschillende ruimtelagen bewegen,
3.3 bewust omgaan met de bewegingsrichtingen, p laats en bewegingsbanen.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen.
Doel 3.1: OK, een trein die vlug aankomt, vertraagt en stopt, een paard dat zich vlug verplaatst en kan vertragen en stoppen.
Doel 3.2: ‘groeien’ staat in het leerplan, hieraan denk ik aan Merlijn de Tovenaar, lopen door het bos, een boompje zo klein, wordt groter en groter dankzij de Tovenaar…
Doel 3.3: voorwaarts en achterwaarts, links en rechts, omhoog en omlaag… Een vliegtuig, een dier, een heks,…
4. Kinderen worden zich bewust van hun identiteit en hun inlevingsvermogen.
Dat houdt in dat ze:
4.1 bewegingen nauwkeurig nabootsen,
4.2 een eenvoudig bewegingsverhaal uitbeelden,
4.3 een eenvoudig bewegingsverhaal kunnen opbouwen over iets wat ze gehoord, gezien, gelezen, gevoeld of meegemaakt hebben,
4.4 gebruik maken van (bewegingskwaliteiten van) materialen, planten, dieren, mensen, personages.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen.
Doel 4.1: verschillende dieren en beschrijvingen uitbeelden d.m.v. een goede beschrijving = een goede inleving van de kleuters.
Doel 4.2: bewegingsverhalen uitbeelden: dieren, bloemen, wind, water, zachte, harde materialen,
Heksen en reuzen, Klein Duimpje, bewegingen uit eigen leefwereld: slapen gaan, tanden poetsen, fietsen, opruimen,…
Doel 4.4: materialen aanbrengen en experimenteren, achteraf zonder materiaal diezelfde beweging aanhouden
Dit kan ik nog niet volledig waarmaken:
Doel 4.3: een eigen bewegingsverhaal opbouwen: weet niet waar het dan precies begint, opgebouwd wordt en eindigt.
Doel 4.4: Welke materialen aanbrengen en experimenteren?
Hoelang deze oefening uitvoeren? Wat is aantrekkelijk?
5. Kinderen ervaren de mogelijkheden van de lichaamstaal en van de dans om met zichzelf en met anderen te communiceren.
Dat houdt in dat ze:
5.1 (improviserend) reageren op elkaars bewegingen,
5.2 samen een bewegingsopdracht of –verhaal uitvoeren,
5.3 zelf dansen ontwerpen om individueel of in groep uit te voeren,
5.4 genieten van en belangstelling tonen voor bewegingsexpressie van anderen,
5.5 kunnen illustreren hoe beweging en dans waardevol zijn in het dagelijks leven, hier en in andere culturen.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen.
Doel 5.1 en 5.2: Dit zou ik wel kunnen, kleuter(s) een beweging laten kiezen en met de ganse groep deze beweging nabootsen. Een bewegingsopdracht: vanuit de juf en samen met de kleuters.
Doel 5.4: Dit zou me wel lukken, kleuters stimuleren om te kijken en te genieten van een uitvoerend groepje kleuters. Ze mogen hun uiten. Doch dienen zij tijdens de uitvoering stil te zijn, en na de uitvoering kunnen zij hun gevoelens, hun indrukken kwijt (handgeklap, verbale appreciatie…)
Doel 5.5: Deze doelstelling zou ik deels wel kunnen realiseren, naarmate de ontdekking van het plezier beleven in dans en muziek, hoe fijn dat dit wel is. Ook wel het aantonen van een andere soort muziek en dans (bv. Afrikaanse muziek en dans)
Dit kan ik nog niet volledig waarmaken:
Doel 5.2: Een bewegingsverhaal: gaat dit dan om een verhaal in de klas? In de turnzaal? Inleiding, midden en slot? Wat is de duur? Dit zijn toch nog vragen die ik mij in deze doelstelling stel.
Doel 5.3: Hoe beginnen de kleuters hieraan? Hoe begeleid ik hun? Hoe hou ik de sfeer erin? Verlies ik hier geen controle over de groep? Gaat dit al vanaf de 2de kleuterklas?
Doel 5.5: Naar inleving naar anderen culturen, stel ik me dan ook weer de vraag, in hoever breng je een andere cultuur aan? Hoe pak je dit het best aan? Wat biedt je aan?
6. Kinderen trachten de bewegingsexpressie van zichzelf en van anderen te beoordelen.
Dat houdt in dat ze:
6.1 zicht hebben op de eigen mogelijkheden,
6.2 vorm- en kwaliteitscriteria hanteren om bewegingsexpressie te beoordelen,
6.3 kunnen en durven verwoorden wat ze vinden van de eigen bewegingsexpressie en die van hun leeftijdsgenoten,
6.4 hun bewegingsexpressie en die van anderen kritisch kunnen en durven bespreken.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen.
Doel 6.1: een nabespreking houden, d.m.v. vragen te stellen: “ Wat vond je makkelijk? Wat vond je moeilijk? Vond je het leuk? Wie kon goed op zijn tenen stappen? Wie vond kruipen over de grond fijn?
Doel 6.3: vragen stellen: Vond je het leuk? Waarom? Vertel eens verder over jouw bloem? Op gebied van gevoel: hoe voelt Konijn zich? Waarom was Jill boos? Aan wat kon je dit zien? Wat was de groepssfeer?
Doel 6.4: vragen stellen: hoe verliep de voorbereiding? Hoe kwam dat? Welke gevoelens kwamen tot uiting in het spel? Was het leuk? Was het saai? Hoe heb ik dit opgemerkt? Had ik de groep in de hand? Wat zou ik anders doen? Waarom?
Dit kan ik nog niet volledig waarmaken:
Doel 6.2: In deelleerplan niet echt uitgelegd a.d.h.v. voorbeelden, of ik dit kan of niet, is me niet echt duidelijk, Gaat dit om: de manier waarop ik iets geprobeerd heb? Of gaat over de beleving van de kleuters en de manier waarop zij dit kunnen…
Doel 6.4: vragen stellen: hoe verliep de voorbereiding? Hierin zou ik mij zeker ook nog verder willen in groeien. Het begint al met voorbereidingen: welke materialen, welke doelen, welke oefeningen… Indien hier iets mis in zit, denk ik door gebrek aan ervaring dat je hier moet in groeien gedurende de ganse opleiding.
Opgelet:
Al deze doelen die ik hierboven vermeld heb, komen uit het leerplan, en denk ik voor een stuk aan te kunnen, maar moet ik toch sowieso nog verder in doorgroeien. Dit is uiteindelijk het doel van de opleiding. Als ik alleen maar zou zeggen: ‘Ja, dat kan ik! ‘ zou dit eigenlijk heel dom zijn! Uit mijn vroegere schoolopleiding: Kleuteronderwijs, heb ik al veel te maken gehad met deze doelstellingen, maar toch op dit moment lijkt het me niet logisch om zonder de stages en zonder te oefenen, te kunnen zeggen dat ik dit kan! Dus deze doelen zijn allemaal nog verder te beoefenen.
Welke doelen kan ik de respectievelijke deelleerplannen al realiseren? Welke niet?
2) Muzikale opvoeding:
5.1 Het kind musiceert met klank en muziek:
1. Musiceren en experimenteren met de stem, met aandacht voor een goed stemgebruik
(ademhaling, stemplaatsing, resonantie, articulatie), een zuivere toon (toonovername, intonatie) en expressiviteit.
Dat houdt in:
Doel 1.1: De ademhaling bewust gebruiken en de lichaamshouding verzorgen
Doel 1.2: Aandacht schenken aan een goede stemplaatsing en resonantie
Doel 1.3: Een tekst of een lied uitvoeren met aandacht voor een correct stemgebruik en een goede stemexpressie
Doel 1.4: Een gevarieerd repertoire van kindgerichte liederen zuiver en expressief zingen en gebruiken als impuls voor diverse expressiewijzen en spelvormen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit kan ik nog niet volledig waarmaken.
Bovenstaande doelen zou ik deels kunnen, deels niet. Ik kan wel een beetje zingen, maar moet nog werken aan een juiste ademhaling, een goede stemplaatsing en resonantie, correct stemgebruik en een goede stemexpressie.
Doel 1.4 zou ik wel zien zitten, nadat ik de werkpunten bereikt heb (juiste ademhaling, …).
2. Musiceren met voorwerpen en instrumenten (lichaamsinstrumenten, zelfgemaakte en bestaande instrumenten), met aandacht voor klankproductie en speeltechniek.
Dat houdt in:
Doel 2.1: De klankmogelijkheden van voorwerpen en instrumenten onderzoeken
Doel 2.2: Een eenvoudig ritme of eenvoudige melodie instrumentaal uitvoeren
Doel 2.3: Bij het musiceren met instrumenten de juiste speeltechniek toepassen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik deels al wel kunnen waarmaken.
Indien ik hier kan terug reflecteren op de les van Muziek voedt, dan kan ik deze doelen wel begrijpen, en voor een stukje uitvoeren. We hebben toen met ons lichaam verschillende klanken gemaakt, en zijn als orkest geëindigd. Ik zou het volgende wel aandurven: ritmisch klappen: sterk, zacht, onze voet gebruiken en hiermee geluiden maken.
Waarom zeg ik bij deze doelen: deels kunnen waarmaken: ik heb een keyboard en kan dus wel wat noten lezen, stukjes spelen, maar niet goed genoeg! Niet met de juiste tellen van een noot. Dus ook nog een werkpunt!
3. Visuele voorstellingen van klank en muziek met de stem, voorwerpen of instrumenten
(lichaamsinstrumenten, zelfgemaakte en bestaande instrumenten) verklanken
Dat houdt in:
Doel 3.1: Beelden, klanksymbolen en grafische notatie van vocaal of instrumentaal verklanken
Doel 3.2: Elementaire muzieknotatie als hulpmiddel bij het vocaal of instrumentaal musiceren gebruiken
Doel 3.3: Een eenvoudige partituur (van beelden, klanksymbolen, grafische notatie of eenvoudige muzieknotatie) vocaal of instrumentaal verklanken
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Indien deze doelen het volgende betekenen, klanken uitbeelden met lichaams- of andere instrumenten naar aanleiding van beeldmateriaal en afgesproken symbolen dan zou ik dit wel durven uitproberen.
Deze doelen kan ik nu nog niet volledig uitvoeren, wanneer ik de didactische tips even nalees, schrik ik van bepaalde tips op. Vandaag ben ik absoluut nog niet klaar om deze doelstellingen correct en wel uit te voeren.
4. Diverse vormen van muzikale communicatie actief verwerken
Dat houdt in:
Doel 4.1: Bij het musiceren verschillende verwerkingsmogelijkheden of musiceervormen toepassen
Doel 4.2: Bij het musiceren verschillende rolverdelingen herkennen en toepassen
Doel 4.3: De opnamemogelijkheden van audioapparatuur zinvol gebruiken
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik al kunnen:
Doel 4.1 en 4.2: deze doelen lijken mij samen te vallen onder: verschillende verwerkingsmogelijkheden: muzikaal uiten, gevoelens tonen, je kan blij, bang, boos .. zijn, gek stappen met open benen, kleine stapjes zetten,… Grote stappen zetten = grote beer, kleine stappen zetten is kleine beer.
Ik zou bv. een deel kleuters blij laten rondlopen op muziek, je kan een deel kleuters boos laten rondlopen, dit doel lijkt me ook weer terug te komen van uit de les: Muziek voedt. Onze groep kreeg een bepaalde rol toegekend, van blij, vrolijk, angstig, … Zolang de muziek ging, werden wij deze persoon. Het lijkt me wel leuk om te proberen met de kleuters, maar ik zou niet teveel rollen toekennen daar het misschien anders te druk wordt.
Waar ik wel met vragen zit is over doel 4.3: de opnamemogelijkheden van audioapparatuur zinvol gebruiken. Geluiden opnemen, micro zingen, kleuters zelf laten ervaren dat er te luid gezongen wordt…
Hoe begin je hieraan? Wanneer doe je dit? Dit is dus zeker een werkpunt.
5.2 Het kind luistert naar klank en muziek
5. Geluiden, klanken en klankeigenschappen herkennen, vergelijken en ordenen volgens diverse criteria.
Dat houdt in:
Doel 5.1: Kenmerken van de geluidsomgeving onderscheiden en bewust ervaren
Doel 5.2: Klankeigenschappen en muzikale tegenstellingen ervaren en benoemen
Doel 5.3: De functie en de betekenis van een geluidsomgeving herkennen en beschrijven
Doel 5.4: Eenvoudige functies van film- en reclamemuziek herkennen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelen zou ik wel kunnen waarmaken. We kunnen bewegen op muziek, en wanneer de muziek stopt moeten we zitten of stil zijn, a.d.h.v. verschillende opdrachten kunnen we deze kenmerken waarnemen. Geluiden van bepaalde muziekinstrumenten herkennen en waarnemen. We kunnen zingen op verschillende manieren: Luid en stil, hoog en laag, dit in allerlei opdrachtjes laten terugkomen.
We zouden kunnen bespreken welke geluiden er allemaal zijn: buiten op de speelplaats? In het station? Op de kermis? In de dierentuin?
Wel stel ik me de vraag wat doel 5.4 precies voorstelt, eenvoudige functies van film-en reclamemuziek herkennen. Filmmuziek = emoties helpen te ondersteunen: spanning, verdrietig, feestelijk… Hoe herkennen de kleuters dit? Hoe moeten zij dit uiten? In dans en beweging? In zingen? Bespreken we dit samen en hoe ver kunnen wij dit laten gaan?
Wat met reclamemuziek: bespreken zou me nog wel lukken door vragen te stellen en reactie te vragen, maar in hoeverre moeten wij dit ondernemen? Een boodschap ontwerpen? Wanneer?
6. Bij het luisteren naar klanken en muziek verschillende notatievormen actief verwerken
Dat houdt in:
Doel 6.1: Eenvoudige beelden of klanksymbolen van geluiden, klanken of muziek verwerken
Doel 6.2: Grafische notatie of elementaire vormen van traditionele notatie verwerken
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Doel 6.1 zou me wel lukken, we zingen samen een lied, en leggen dan prenten in de volgorde van het lied. Of een luisteroefening doen en de juiste prenten aantonen van een geluid en/of muziekinstrument.
Doel 6.2 is een werkpunt voor mij. Grafische notatie van een klank of muziekaal fragment, de notatie van ritmebouwstenen, de notatie van eenvoudige melodische motieven herkennen, hier heb ik nog niet mee gewerkt, en weet ook niet goed hoe ik hieraan zou beginnen. Wat is dan interessant voor de kinderen?
7. Het luisteren naar muziek verfijnen door aandacht te schenken aan de muzikale aspecten
Dat houdt in:
Doel 7.1: Eenvoudige melodie- en ritmepatronen herkennen en vergelijken
Doel 7.2: Eenvoudige vormen van samenklank herkennen en vergelijken
Doel 7.3: De klankkleur herkennen en beschrijven
Doel 7.4: Het tempo en de dynamiek van muziek herkennen en benoemen
Doel 7.5: De structuur en de vorm van een ritme, een melodie of een klank- of muziekstuk aan de hand van de structurele principes (herhaling, variatie, contrast) herkennen en benoemen
Doel 7.6: Eenvoudige muzikale vormen herkennen en vergelijken
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Bij het nalezen van de didactische tips in het leerplan, valt me wel op dat ik op bepaalde doelen helemaal geen voeling heb.
Het onderscheid maken tussen één instrument (solo tegenover samenspel) en verschillende instrumenten, handen klappen, met één vinger klappen, tempoverschillen, schoolbel vergelijken met andere bellen, onderscheid maken tussen spreken, roepen, schreeuwen, zingen… dat lijkt me allemaal niet zo moeilijk te zijn, dus denk ik wel te kunnen.
Maar waar ik dan met twijfel zit is namelijk, Eenvoudige melodieën of ritmes herkennen = een bepaald melodisch motief aanwijzen door de hand op te steken, een muzikaal thema herkennen met behulp van een steuntekst, een stijgende tegenover een dalende melodie. Mijn vraag dan: hoe begin je hieraan en wanneer? Wat houdt dit concreet in?
De opbouw van een melodie of een ritme rudimentair analyseren, wat is dit: rudimentair analyseren? De structurele principes in elementaire muzikale vormen herkennen, de vorm van een lied, een ABA-vorm, een rondovorm vergelijken en benoemen…
Dit zijn echt wel werkpunten!
5.3 Het kind leest en noteert voorstellingen van klank en muziek
8. Beelden en symbolen van waargenomen auditieve prikkels lezen en waargenomen auditieve prikkels schriftelijk verwerken
Dat houdt in:
Doel 8.1: Beelden of symbolen van auditieve prikkels herkennen of noteren
Doel 8.2: Een grafische partituur aanvullen of ontwerpen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelstellingen zou ik visueel eerst zelf eens willen beleven voordat ik zou kunnen zeggen of ik dit al kan overbrengen naar de kleuters. Op het eerste zicht lijkt me dit moeilijk. Ik kan het me niet voorstellen of me dit zou lukken. Hoe begin je hieraan?
5.4 Het kind ontwerpt klank en muziek
9. Een klankstuk of een muziekstuk ontwerpen
Dat houdt in:
Doel 9.1: Een klank- of muziekstuk ontwerpen vanuit een buitenmuzikaal gegeven
Doel 9.2: Een klank- of muziekstuk ontwerpen vanuit een muzikaal gegeven
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Een klankstuk ontwerpen a.d.h.v. voorbeeld in leerplan, zou me wel lukken: een foto van een drukke verkeerssituatie: kinderen die de verkeerssituatie uitbeelden en andere kinderen die alleen de geluiden maken.
Voor de rest van deze doelen, zal ik ook nog sterk mij moeten informeren.
5.5 Het kind beweegt op klank en muziek
10. Klank en muziek via beweging ervaren
Dat houdt in:
Doel 10.1: Klankverschillen en muzikale tegenstellingen via beweging herkennen en ervaren
Doel 10.2: Kenmerken van klank en muziek in tijd en ruimte via bewegingen ervaren
Doel 10.3: Kenmerken van klank en muziek in bewegingen omzetten
Doel 10.4: De eigen beweging afstemmen op een klank, op muziek of op andere bewegingen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Bovenstaande doelen zou ik me wel kunnen in vinden en dit dus overdragen aan de kleuters. Op allerlei soorten muziek, zouden wij kunnen stappen, rondspringen, huppelen, snel, traag, hoog, laag, bevriezen = standbeeld vormen (muziek stopt), grote bewegingen met sterke klanken, de jagers uitbeelden, op een stukje muziek vrij bewegen…
5.6 Het kind denkt na en praat over klank en muziek
11. Ervaringen bij het omgaan met klank en muziek verwoorden
Dat houdt in:
Doel 11.1: Auditieve ervaringen beschrijven en met een gepaste woordenschat benoemen
Doel 11.2: Een eigen mening over de omgang met klank en muziek verwoorden
Doel 11.3: Veel voorkomende begrippen uit de wereld van klank en muziek passend gebruiken
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelen zouden mij ook al lukken, de kinderen laten spreken over hun mening en gevoelens bij muziek, eigen mening verwoorden, word je bang, blij, boos, … van dit lied? In een klasgesprek kunnen hun gevoelens geuit en verwoord en besproken worden.
5.7 Het kind verwerft bepaalde houdingen via de omgang met klank en muziek
12. Genoegen beleven aan de omgang met klank en muziek
Dat houdt in:
Doel 12.1: Zich door middel van klank en muziek durven uiten
Doel 12.2: De wereld van stilte, geluid en muziek verwonderd en aandachtig tegemoettreden
Doel 12.3: Zich verbonden voelen met anderen tijdens een groepsgerichte omgang met klank en muziek
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dit zou ik ook al kunnen toepassen, de kinderen krijgen de nodige ruimte voor hun eigen invulling. Elke mening, invulling is waardevol, wat de kinderen vertellen is ok, ze moeten de kans krijgen om aan hun zelfvertrouwen te werken. We kunnen naar allerlei geluiden luisteren, en deze verwoorden en bespreken, ik zou durven vragen om het even heel stil te maken en te vragen: is stil zijn moeilijk? Wat vind je van de stilte? Welke geluiden hoor je nog? Wat is stil zijn?...
Wat ik wel belangrijk vind in deze muzische opdracht (maar ook nog in vele andere opdrachten) is dat de kinderen zich goed voelen, dat de groepsgeest positief is, dat de sociale dynamische doelen ook gerealiseerd worden!
13. Eenvoudige regels en afspraken naleven bij de productie of reproductie van muziek
Dat houdt in:
Doel 13.1: Bereid zijn om voldoende nauwkeurigheid aan de dag te leggen bij de omgang met klank en muziek
Doel 13.2: Actief deelnemen aan het groepsmusiceren en zich kunnen aanpassen aan de eisen van het samenspel
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Ook hier denk ik al een groot deel van de doelen te kunnen overdragen. Ik zou sowieso proberen te werken aan het feit dat er afspraken zijn wanneer we zingen: niet te luid, niet versnellen, of een aangename en plezierige manier zingen door iedereen aan te moedigen. De samenhorigheid en de verbondenheid met anderen ervaren.
Waar ik wel nog moet aan werken: is de bezetting voor een klankstuk in groep: hoe, wat, waar, wanneer? Een ritmisch antwoord klappen.
14. Een kritische houding aannemen tegenover de auditieve omgeving
Dat houdt in:
Doel 14.1: Nieuwsgierig zijn voor en/of kritisch staan tegenover diverse vormen van muzikale communicatie
Doel 14.2: Openstaan voor de muzikale uitdrukking van anderen
Doel 14.3: Openstaan voor of rekening houden met de kenmerken van een bepaalde muziekcultuur.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Ik zou alvast niet meteen negatief oordelen over een muziekstuk, wel een muziekstuk bespreken en verduidelijken tegenover de groep, en zeker respect opbrengen voor de mening van anderen.
Wat ik hier wel nog moeilijk in vind is het volgende: een opgenomen uitvoering van een klankstuk bespreken met de klasgroep, een volkslied binnen zijn specifieke cultuur plaatsen, vertellen over het leven van een componist (Doe je dit met kleuters? In hoeverre dan?)
Algemeen besluit van deze doelen: ik zou al een deel kunnen realiseren maar net zoals de doelen: Dans/beweging, wij moeten nog veel leren om een goede juf te worden!
Welke doelen kan ik de respectievelijke deelleerplannen al realiseren? Welke niet?
3) Drama:
1. Kinderen kunnen de wijze waarop een dramatisch spel tot stand komt, herkennen en
beschouwen
Dat houdt in:
Doel 1.1: Vormen van lichaamstaal herkennen en kunnen interpreteren
Doel 1.2: Weten dat een spelsituatie opgebouwd wordt door bv. Aanloop, climax en slot.
Doel 1.3: Een dramatische opbouw in het spel verwerken en volgen
Doel 1.4: Een aantal spelvormen ervaren en kennismaken met het materiaal dat erbij hoort
Doel 1.5: de wezenlijke aspecten van dramatisch spel ervaren: rol en handeling, tijd en ruimte, motieven en gevoelens
Doel 1.6: Vaststellen dat vragen als ‘wie, wat, waarom, hoe, wanneer en waar? ‘ hen op het spoor brengen van de wezenlijke aspecten van dramatisch spel.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
In bovenstaande beschreven doelen zou ik me kunnen behelpen, ik zou ze deels kunnen uitvoeren, maar op voorwaarde dat hier een hele studie aan voorafgegaan is. Ik bedoel hiermee, alle mogelijke info opzoeken en kennen, weten, op voorhand al geoefend hebben… Als ik zeg deels uitvoeren, is dit ook omdat je als 1ste-jaars student nog bijlange niet alle kennis hebt. Ik zou deze doelen wel durven aangaan!
2. Kinderen genieten van dramatisch spel
Dat houdt in dat ze:
Doel 2.1: Genieten van het muzisch handelen waardoor ze hun expressiemogelijkheden verruimen
Doel 2.2: Ervan genieten bezig te zijn met de dingen die hen omringen om hun expressiemogelijkheden te ontdekken
Doel 2.3: Openstaan voor en plezier beleven aan de nieuwe dingen die ze in hun omgeving ontdekken als inspiratiebron voor hun dramatisch spel
Doel 2.4: Zonder vooroordeel genieten van allerlei voor kinderen bestemde culturele activiteiten zoals theater, poppenspel, pantomime, filmvoorstelling, vertelnamiddag rond een kinderboek…
Doel 2.5: Plezier beleven aan en genieten van zelf spelen en samenspelen met anderen
Doel 2.6: Plezier vinden in een presentatie voor ‘ publiek ‘
Doel 2.7: Genieten van het gevarieerd aanbod van hedendaagse en klassieke kinderliteratuur als mogelijk uitgangspunt voor dramatisch spel
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Ook voor deze doelen hierboven zit met het gevoel: ja, ik durf deze aangaan en probeer ze al over te dragen aan de kleuters. Waar ik wel mee zit, is dat ik poppenspel, pantomime, als zelfuitvoerende juf, niet helemaal aandurf, reden: ik heb hier niet genoeg voeling mee. Wat kan ik al? Kan ik dramatiserend vertellen? Hoe speel ik het best een rol? Hoeveel stemmen kan je duidelijk verschillend hoorbaar aanbrengen (Grote beer, mama, oma, verteller…)? Dus voor een stuk zal dit al lukken, maar voor een stuk zijn er werkpunten!
3. Kinderen zijn verwonderd over de uitdrukkingsmogelijkheden bij dramatisch spel
Dat houdt in dat ze:
Doel 3.1: Openstaan voor de interactie tussen woord en gebaar, beeld en klank tijdens het dramatisch spel
Doel 3.2: Oog hebben voor de uitdrukkingskracht van taal en beweging in een doe-alsof-situatie
Doel 3.3: Zich verwonderen over de mogelijkheden om via woord, gebaar, beeld en klank te communiceren
Doel 3.4: Ervaren hoe een boodschap via dramatisch spel wordt gebracht
Doel 3.5: Zich verwonderen over de boodschap die anderen dramatiseren
Doel 3.6: Zich inleven in de wijze waarop anderen gestalte geven aan een spelsituatie
Doel 3.7: Vaststellen hoe een boodschap via dramatisch spel op verschillende wijzen kan worden gebracht
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Ik zou met deze doelen, alvast proberen alle kansen tot interactie benutten, ik vermoed dan wel dat je hier misschien wel even dient voor af te wijken van de lesvoorbereiding. Ik zou zeker en vast de kleuters situaties, opmerkingen, dingen… laten verwoorden en er op inspelen, en eventueel de kans geven om na het dramatisch spel nog na te reflecteren.
Doel 3.4 en doel 3.7 zou ik zeker nog wat uitgebreider willen ontdekken, hoe en wanneer, en met wat je dit of deze doelen kunt waarmaken. Dus of ik dit al kan, deels wel, deels niet!
4. Kinderen brengen waardering op voor het dramatisch spel van anderen
Dat houdt in dat ze:
Doel 4.1: Waardering opbrengen voor de manier waarop een bepaald idee of personage, een bepaalde gebeurtenis of omstandigheid wordt gedramatiseerd
Doel 4.2: Waardering opbrengen voor de vertolking van een zelfde boodschap door anderen
Doel 4.3: Respect betonen voor het dramatisch spel van leeftijdgenoten, behoren tot eigen en andere culturen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Over deze doelen zou ik me verder willen informeren, wat is waardering precies? Wat wordt hier allemaal mee bedoeld? Voor een stukje begrijp ik deze wel, maar extra info heb ik toch nodig om deze doelen over te kunnen dragen.
5. Kinderen maken gebruik van dramatisch spel om eigen beleving, ervaringen, gedachten en gevoelens in handelingen te verwerken
Dat houdt in dat ze:
Doel 5.1: De mogelijkheden van dramatisch spel ervaren als een middel om met anderen te communiceren, om iets te concretiseren, om iets van zich af te spelen, om ervaringen te verwerken…
Doel 5.2: Bij de voorbereiding en de uitvoering van het spel, hun fantasie en voorstellingsvermogen activeren
Doel 5.3: Bewust de werkelijkheid kunnen verbeelden
Doel 5.4: Bereid zijn eigen belevenissen, ervaringen, gedragingen, gevoelens en handelingen spontaan in allerlei situaties te verwoorden in dramatisch spel
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelen zou ik wel aandurven, vanuit een ervaring van een kind, de situatie proberen op te lossen en duidelijk zichtbaar te maken, waarom weent iemand? Misschien heeft die pijn, misschien is die gevallen, misschien wordt dat kind gekwetst/gepest…
Ik zou dit aan de hand van een toneeltje best aandurven, en de boodschap overdragen, dat pesten niet kan, dat je daar verdrietig kunt van worden,…
Maar ik stel me wel de vraag, waar ligt de grens in situaties, in uitvoeringen? Welke kan je klassikaal bespreken, welke situaties bespreek je niet met de kinderen in groep en speel je dus ook niet na.
6. Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in
Dat houdt in dat ze:
Doel 6.1: Zich inleven in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of een omstandigheid uit de werkelijkheid of uit een verteld of voorgelezen verhaal en dat al spelend vorm geven
Doel 6.2: Genieten van de fantasie, de originaliteit, de creativiteit en de zelfexpressie in kunstwerken
Doel 6.3: Een spelopdracht verkennen vanuit eigen vragen
Doel 6.4: Eigen ervaringen en kennis opdiepen om inhoud en vorm te geven aan een spelscenario
Doel 6.5: De relatie kennen tussen het spel en het eigen ik, de eigen leefomgeving, de sociale of maatschappelijke omgeving
Doel 6.6: Verbale en non-verbale spelvormen toepassen of improviseren
Doel 6.7: Allerlei sociale situaties spelen
Doel 6.8: Ervoor zorgen dat het dramatisch spel altijd een doe-alsof-situatie blijft
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
De doelen hierboven beschreven zou ik voor een stukje kunnen overdragen.
Toch als ik ieder doel op zich bekijk, lijkt het me dat ik deze doelen niet 100% kan overdragen aan kleuters.
Doel 6.3 een spelopdracht verkennen vanuit eigen vragen, wat betekent dit precies? Gaat dit over de kleuter die zich vanuit eigen vragen zichzelf op een ander leerspoor brengt? Breng ik (als juf) enkele prikkels aan om dit verder te stimuleren? Die begeleiding van die spelopdracht, dit kan ik niet overdragen, heb nog niet voldoende kennis hiervoor.
Op zich zitten er in de doelen een deel begrippen die ik best begrijp, maar om dit om te bouwen naar de werkelijkheid denk ik niet dat wij bij alle doelen al kunnen zeggen, dit kan ik al! Indien we dit wel zouden zeggen, dan moesten we niet meer studeren.
7. Kinderen ontwikkelen hun speeldurf
Dat houdt in dat ze:
Doel 7.1: Eigen uitdrukkingsmogelijkheden en beperkingen ervaren om zich dramatisch-expressief te uiten
Doel 7.2: Lichamelijke en psychische gêne te overwinnen
Doel 7.3: Durven improviseren door in te spelen op onvoorziene situaties
Doel 7.4: Tijdens het spel met een eigen expressiestijl durven inspelen op ervaringen, gevoelens, ideeën en fantasieën van anderen
Doel 7.5: Iets met zelfvertrouwen spelen, met of zonder publiek.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelen dringen niet volledig of niet genoeg tot me door. Hiervan zou ik concrete voorbeelden willen zien, zodat ik weet hoe ik deze doelen zou kunnen gebruiken. Verder moet ik dus zeggen dat ik dit niet kan overdragen aan de kleuters, daar ik op het eerste zicht niet meteen de juiste link in een juiste situatie kan leggen. Ik begrijp wel dat zij hun speeldurf kunnen ontwikkelen, maar hoe leid ik dit? Door dingen aan te reiken, door volledig eigen spel in een poppenhoek bijvoorbeeld, door opdrachten te geven…
8. Kinderen kunnen expressief omgaan met woord en lichaamstaal
Dat houdt in dat ze:
Doel 8.1: Beweging en mimiek aanpassen aan de spelsituatie
Doel 8.2: Een aangepaste spreektechniek ontwikkelen (articulatie, adembeheersing, tempo, toonhoogte, toonsterkte)
Doel 8.3: Met een creatief stem- en taalgebruik expressief reageren en belevenissen uitbeelden
Doel 8.4: De ruimte op gepaste wijze gebruiken (mise-en-scène)
Doel 8.5: Zich bewust zijn van het verschil tussen verbeelde en werkelijke tijd, en dat ze de plaats en de handeling juist inschatten
Doel 8.6: Werkelijke tijd (duur van het spel) en verbeelde tijd (in het spel gesuggereerde tijd) passend gebruiken
Doel 8.7: Ervaren dat de juiste verhouding tussen woord en beweging de expressie kan vergroten
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deels zou ik dit al kunnen aanbieden, maar wil niet zeggen dat ik dit al kan overdragen. We zijn nog maar net bezig met onze stage en de opleiding, dus hoop ik hier toch ook nog wat concretere voorbeelden van te ontvangen zodat ik de doelen wel kan overdragen tijdens men stage!
9. Kinderen leren gepast omgaan met audiovisuele media bij het dramatiseren
Dat houdt in dat ze:
Doel 9.1: Eenvoudige, audiovisuele informatie uit de eigen leef- en belevingswereld herkennen, onderzoeken en vergelijken
Doel 9.2: In audiovisueel opgenomen dramatisch spel opvallend goede en minder geslaagde fragmenten herkennen
Doel 9.3: Weergavetoestellen (informatiedragers) kunnen bedienen om dramatisch spel van henzelf en van anderen te bekijken.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Zoals al eerder weergegeven, zit ik met een vraag als het gaat op media in het algemeen. Wat is dit precies? Wat betekent dit in de kleuterklas? Hoe en wanneer wordt hiermee gewerkt? Dus voor mij een werkpunt!
10. Kinderen ontwikkelen een kritische houding
Dat houdt in dat ze:
Doel 10.1: Het dramatisch spel van leeftijdgenoten opbouwend-kritisch en tactvol bespreken
Doel 10.2: Situaties uit het dagelijks leven die aanleiding geven tot dramatisch spel, kritisch bekijken en beluisteren
Doel 10.3: Een dramatisch spel geconcentreerd bekijken en beluisteren
Doel 10.4: Praten over en kritisch staan tegenover de keuze van spelvormen, onderwerpen en beleving, in het eigen spel en dat van anderen
Doel 10.5: Dramatisch spel beoordelen op grond van bepaalde criteria zoals verhouding beeld-klank, woord-beweging, beleving, fantasie, originaliteit enz.
Doel 10.6: Gevoelig zijn voor opbouwende kritiek
Doel 10.7: Een kritische kijk- en luisterhouding ontwikkelen tegenover de boodschap in een dramatisch spel
Doel 10.8: Openstaan voor suggesties van medespelers om het eigen dramatisch spel en het samenspel te verbeteren
Doel 10.9: Bereid zijn terechte opmerkingen van ‘publiek’ in eigen spel te verwerken
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Dramatisch spel bespreken, bekijken en beluisteren, dit zou mij al lukken om over te dragen aan de kleuters. Toch zijn er hier ook wat doelen, die ik niet kan overdragen, waarmee ik nog geen of weinig voeling mee heb, en dan spreek ik over doel 10.4, doel 10.5, doel 10.9 (dit laatste doel, zou ik best wel de kans geven, maar toch om nu in deze fase nog niet veel ervaring te hebben, is dit toch wel een hele opdracht).
Welke doelen kan ik de respectievelijke deelleerplannen al realiseren? Welke niet?
4) Muzisch taalgebruik:
Zie Opvoeding: Algemeen deel 5.1 – 5.2
Onderstaande doelen worden ondersteund door onder meer deze doelen uit het leerplan ‘ Nederlands ‘
Beschouwen:
1. Intensief gebruik maken van alle zintuigen
2. De wereld, en in het bijzonder de muzische expressie ervan, met een open houding
benaderen
3. De eigenheid van de muzische expressievormen aanvoelen, begrijpen en waarderen
4. Gevoelig zijn voor het overdrachtelijk of symbolisch karakter van een muzische expressie vorm
5. De ander in expressie willen ontmoeten
6. De band leggen met de eigen innerlijke wereld
7. Willen kennis maken met de wereld van kunst
8. Genieten van een kunstzinnige expressie of een kunstwerk
9. Over kunst communiceren
10. Ervaren dat het schoonheidsbeleven of de smaak van mensen verschilt
11. Over kunstzinnige expressie een oordeel geven
Daar deze doelen eveneens bedoeld zijn te gebruiken in het leerplan: Nederlands, zou ik deze even kort willen samenvatten, betreffende volgende vraag:
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelen zouden mij deels lukken, materialen verzamelen, klanken onderscheiden, oogcontact, mimiek, vormen van lichaamstaal,… Een kind laten plezier beleven in het muzische taalgebruik, verwondering over taalgebruik opwekken, openstaan voor nieuwe woorden, nieuwe uitspraken, klanken in de vorm van versjes en liedjes en daaraan beeldmateriaal gekoppeld. Een kind zijn eigen beleving = zijn eigen mening laten verwoorden.
Materialen verzamelen: vanuit het gevoelsleven, ervaring en beleving, fantaseren, .. Nieuwsgierig maken naar nog meer taal (boeken, versjes, …)
Emoties ervaren en uiten bij een boodschap, vreugde en genoegen laten uiten na een boodschap.
Een kind een indruk laten verwoorden, laten napraten over een onderwerp en van gedachten wisselen met anderen. Aan muzisch taalgebruik, moet zeker gewerkt worden, wat valt hier allemaal onder? Wanneer werk je hieraan? Welke opdrachten moet ik hiervoor inschakelen: dit zijn zeker de vragen waarmee ik zit.
Creëren
12. Erop gericht zijn de eigen ideeën, gevoelens, ervaringen en waardering in muzische taal uit te drukken
13. Erop gericht zijn muzische expressiemogelijkheden te exploreren en ermee te
experimenteren
14. Technische vaardigheden i.v.m. muzische vormgeving trachten te beheersen
15. Voorstellingsvermogen, fantasie of verbeelding durven aanspreken
16. Gericht zijn op een oorspronkelijke vormgeving
17. Gericht zijn op een verstaanbare of sprekende vormgeving
18. Werken vanuit geloof in eigen kunnen
19. Genoegen beleven aan muzisch bezig zijn
20. Overal mogelijkheden tot muzische vormgeving ontdekken en toepassen
21. Het muzisch bezig zijn zelf kunnen verrijken en sturen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Sommige doelen zullen al lukken, anderen nog niet. Met deze omschrijvingen van doelen, wil ik nu al wat mee doen, deze lijken me dan toch wel deels haalbaar en dus over te dragen aan kinderen:
Een kind beheerst de taal zodanig dat het, op zijn niveau luisterend, de boodschap van de andere, als die zijn gedachten en gevoelens uit, kan en wil waarnemen, begrijpen en verwerken en dat het, op zijn niveau sprekend, de andere kan, wil en durft meedelen wat het ervaart, beleeft, voelt en denkt. Een kind: zich laten inleven in een duidelijk herkenbare rol en situatie vanuit de eigen verbeelding en daarop inspelen.
Expressief spreken (een versje), articulatie verzorgen, nadruk geven op klemtonen (woorden). De kleuters laten inleven in een duidelijke herkenbare rol (rol van mama, rol van de Grote beer…), de eigen verbeelding hiervoor aanspreken. Een kind de kans geven tot spreken, laten spreken, zijn durf tot spreken bemoedigen. Een kind plezier laten beleven in mondelinge taal en in talige expressie.
Dit zijn o.a. de inzetten die ik nu al wil benaderen met de kleuters. Of ik dit al meteen goed kan of nog wat minder, mijn doel is om me hier volledig in te ontdekken doorheen mijn stages.
Voor mij is muzisch taalgebruik / kortom taalgebruik in alle plannen en activiteiten van groot belang. Ik zou dit op allerlei manieren willen benutten: in liedjes, in versjes, in verhalen vertellen (verschillende vormen), in beeldende activiteiten… Taal is alles in de kleuterklas, of ik dit al goed of minder goed kan, ik geef me alvast zelf de kans om dit correct te willen doen!
Welke doelen kan ik de respectievelijke deelleerplannen al realiseren? Welke niet?
5) Beeld:
1. Openstaan voor beelden
Dat houdt in dat kinderen leren stilstaan bij beelden om:
Doel 1.1: Nieuwsgierig te zijn
Doel 1.2: Vragen te stellen over de beelden
Doel 1.3: Vooroordelen tegenover bepaalde beelden weg te werken
Doel 1.4: Ontdekkingstochten naar beelden te ondernemen
Doel 1.5: Beelden te bewonderen en verwonderd te zijn over diverse beelden
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelen zou ik wel kunnen overdragen, kleuters hun nieuwsgierigheid wekken, door iets aan te bieden waarover ze kunnen reflecteren en vragen stellen. Sommige kinderen vinden bepaalde dingen leuker dan andere, ik zou proberen dit gevoel weg te nemen, en toch aanmoedigen om aan een opdracht mee te doen. Wat ik mooi vind, vindt iemand anders niet mooi, maar we kunnen dat daarom wel eens bekijken.
Enkel doel 1.4: Ontdekkingstochten naar beelden te ondernemen. Hoe moet ik dit aanschouwen? Dit is dan toch een werkpunt.
2. Bewust zijn van het feit dat beelden een zeggingskracht hebben
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 2.1: Zien dat de wereld rondom ons in beelden ‘spreekt’
Doel 2.2: Constateren dat beelden veel toepassingsmogelijkheden hebben in de maatschappij (bv. Techniek, kunst, mode, media…)
Doel 2.3: Opmerken dat sommige beelden een éénduidige betekenis hebben (bv. Symbolen, plannen van een architect, tekeningen bij handleidingen, pictogrammen…)
Doel 2.4: Informatie halen uit beelden (bv. Foto’s …)
Doel 2.5: Zich inleven in de zeggingskracht van beelden
Doel 2.6: Ervaren dat beelden, gekoppeld aan geluiden, een grotere invloed hebben dan beelden alleen
Doel 2.7: Ervaren dat bewegende beelden veel invloed hebben
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Bepaalde doelen zou ik al kunnen toepassen, het aanduiden en bespreken van symbolen, pictogrammen… Een beeld bespreken: Wie, wat, waar, waarom, waarmee, wat zien we… Dat zou ik vast kunnen bespreken met de kleuters. Het liefst van al met die reden om interactie te veroorzaken zodat dit eens zo goed verloopt.
Toch zijn er ook een aantal doelen die ik niet zou kunnen, o.a.: doel 2.6 en doel 2.7, heeft dit met reclame te maken? In welke context dien ik dit beeld te bekijken, gekoppeld aan muziek?
Doel 2.1 en 2.2, geven mij het gevoel dat ik dit nu ook nog niet kan! Ik ben echt niet bezig met het begrip: Media, en heb hier dan ook weinig gevoel voor. Vandaar men twijfels over deze doelen.
3. Inhouden, beeldaspecten, technieken en materialen achterhalen in beelden
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 3.1: Beeldaspecten herkennen en begrijpen (bv. Begrijpen waarom een centrale figuur in een schilderij veel groter is voorgesteld)
Doel 3.2: Aangewende technieken en materialen kennen en herkennen
Doel 3.3: De culturele context duiden (bv. Ontdekken hoe mensen door de eeuwen heen inhouden in beeld hebben gebracht)
Doel 3.4: Het verband verwoorden tussen materialen en de indrukken die ze veroorzaken
Doel 3.5: De aard bepalen van beeldende producten (tekening, keramiek…)
Doel 3.6: De verschillende soorten beelden kennen en herkennen (stilleven, portret, religieus tafereel)
Doel 3.7: De bedoeling van beelden achterhalen (bv. Reclamebeelden)
Doel 3.8: Het verband inzien tussen beeld en geluid
Doel 3.9: Reflecteren over eigen beelden
Doel 3.10: Reflecteren over eigen kijkgedrag.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Punt 3 en doelen doen mij vragen stellen, wat wordt hier concreet in de kleuterklas bedoeld? Waarover gaat het precies? Ik kan door de nodige info op te zoeken wel uitleggen waarom een techniek gebruikt is en waarom een materiaal hiervoor gebruikt is. Zijn dit werkelijk doelen die al in de kleuterklas dienen gehanteerd te worden? Moeten zij Keramiek kennen als woord, als product? Deze lijken me zo moeilijk eigenlijk. Een deel van de doelen zou me wel lukken, maar grotendeels, kan ik dit niet uitvoeren, heb ook weer geen zicht genoeg op de achtergrond van de doelstellingen.
4. Strategieën aanwenden om zinvoller te beschouwen.
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 4.1: De waarneming ondersteunen en intensifiëren door in de verbeelding beelden op te roepen
Doel 4.2: Details in werkstukken van dichtbij bekijken
Doel 4.3: Grote kunstwerken van op afstand waarnemen om een beter overzicht te hebben
Doel 4.4: Pas een oordeel vellen nadat het kunstwerk grondig is bekeken
Doel 4.5: zich vragen stellen over de bedoeling van de beelden (bv. Bij reclamebeelden, infobeelden…)
Doel 4.6: Bewust zijn van het feit dat een vastgelegd beeld (foto, film, schilderij…) een subjectieve weergave is van de werkelijkheid.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Betreffende strategieën weet ik ook niet meteen of dit al zou kunnen, heb nooit echt naar kunst gekeken, of mij afgevraagd waarom een beeld een bepaald vorm of situering heeft. Vandaar dat ik mij hier de vraag moet stellen: “ Kan ik dit? Kan ik dit niet? “ Heb er echt geen idee van of me dit zou lukken.
5. Beeldende middelen (beeldaspecten – materiaal/ technieken) exploreren en ermee
experimenteren
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 5.1: Experimenteren met allerlei materiaal (2- en 3-dimensionaal)
Doel 5.2: Mogelijkheden van de beeldtaal ontdekken door werkstukken te maken
Doel 5.3: De mogelijkheden van materialen en technieken leren kennen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Deze doelstellingen lijken mij interessant en zouden mij lukken. Ik ben zelf wel redelijk creatief en doe dit graag, vanuit mijn interesse zullen de impulsen sterker zijn, waardoor ik zelf positiever in mijn schoenen sta. Dit zou moeten lukken.
6. De mogelijkheden van de beeldtaal gericht leren hanteren
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 6.1: Ervaren dat technische bekwaamheid de zeggingskracht van de beeldtaal kan vergroten
Doel 6.2: De beeldtaal leren beheersen
Doel 6.3: Allerlei materialen en technieken kiezen volgens bepaalde doelen
Doel 6.4: Ervaren dat niet alleen het verhalende (de inhoud) van belang is, maar dat ook de vorm en de presentatie belangrijk zijn
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Functies: beeldtaal: Kennis opdoen over de wereld om je heen, in contact komen met anderen, iets uiten voor zichzelf en/of voor anderen. Hetgeen wat een kind gecreëerd heeft bespreken, dat moet lukken als kleuterjuf. Evenwel nog wat impulsen geven, en vooral positieve benadering, is heel belangrijk en zou ik zeker doen. De materialen en technieken bespreken afhankelijk er gemaakt moet worden is een begin om de activiteiten te starten, hiervan zou ik vertrekken en de activiteit dus laten beginnen. Vorm en presentatie, de kinderen moeten wel een overzicht krijgen van hoe een vorm in elkaar zit, deze zou ik bespreken en begeleiden door regelmatig in herhaling te vallen (= de volgorde van de oefening te vertellen).
Over doel 6.1 en doel 6.2, stel ik mij nog vragen, technische bekwaamheid? Of wat duidt dit? De beeldtaal leren beheersen: wat is beheersen, wat is op dit moment beeldtaal? Hierover wens ik zeker nog de nodige info over te verkrijgen zodat ik dit doel beter begrijp, en kan aan werken tijdens de opleiding.
7. Een eigen beeldtaal hanteren om impressies weer te geven
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 7.1: Ervaren dat eigen gevoelens en ideeën het best vertolkt kunnen worden met een creatieve aanpak en in een persoonlijke stijl
Doel 7.2: Tijdens het creëren hun gedachten en beelden toetsen aan het product en daaruit nieuwe vormen laten ontstaan
Doel 7.3: Steeds streven naar een verrijking van de eigen beeldtaal
Doel 7.4: Aanvoelen wanneer een werkstuk ‘ afgewerkt ‘ is
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Doelen nummer 7: Op zich begrijp ik deze doelen goed! Ik zou zeker en vast zo willen werken dat de kinderen zoveel mogelijk hun eigen beeldtaal kunnen verrijken. Wel zou ik rond deze doelen een werkpunt willen van maken, zodat ik voor mezelf een link kan leggen tussen doel en opdracht. Ik heb ook vooral nood aan voorbeelden. Hoe kan ik deze doelen gebruiken? Wat laat ik de kinderen doen, opdat ik aan deze doelstellingen kan werken?
8. Strategieën aanwenden bij het creëren
Dat houdt in dat kinderen:
Doel 8.1: Zich bezinnen voor te beginnen, door eerst na te denken over de bedoeling die gerealiseerd moet worden, over welke materiaal er het best wordt aangewend, over welke techniek kan worden toegepast…
Doel 8.2: Intens observeren en verbeelden om het creëren te bevorderen
Doel 8.3: De wereld op veel manieren bekijken
Doel 8.4: Zich goed concentreren tijdens het creëren
Doel 8.5: Specifieke materialen en technieken aanwenden om bepaalde beeldaspecten (bv. Stekelige structuur) te realiseren
Doel 8.6: Een moeilijk detail afzonderlijk inoefenen
Doel 8.7: Starten met globale aanzetvormen
Doel 8.8: Een werkstuk langzaam laten groeien
Doel 8.9: Het werkstuk grondig doorwerken
Doel 8.10: Niet bevreesd zijn om tijdens het creëren het ontwerp te wijzigen
Doel 8.11: Af en toe het werk van op een afstand te bekijken
Doel 8.12: Na een rustpauze nog eens het werk bekijken
Doel 8.13: Met anderen van gedachten wisselen over hun realisatie.
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Weer doelstellingen naar aanleiding van strategieën… Deze doelen lijken me nog niet te lukken, ofwel heb ik er onrechtstreeks mee bezig geweest, maar dat ik het zelf niet besef. Het zou me zeker helpen om wat voorbeelden te hebben, waarin deze doelen zitten, want nu komen ze voor mij maar vaag over.
9. Het beeldaspect ‘ licht ‘ ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 9.1: De begrippen licht, donker en schaduw illustreren
Doel 9.2: Het begrip lichtrichting illustreren (richting van waaruit het licht zon/kunstlicht komt)
Doel 9.3: De begrippen zijlicht, tegenlicht, silhouet en weerkaatsing illustreren
Doel 9.4: De begrippen eigen schaduw (op het voorwerp zelf) en slagschaduw (op zijn omgeving) toepassen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Het beeldaspect licht, begrijp ik zelf al beter als juf. Wat je zelf begrijpt kan je ook beter overdragen op anderen. Ik ken de begrippen licht en donker, we kennen het zonlicht, zijlicht, eigen schaduw,… Toch denk ik dat deze moeilijk zijn om juist en correct aan de kleuters over te dragen. Ik maak hier liever een werkpunt van, dan dat ik zou zeggen: Ja, ik kan dit overdragen…
10. Het beeldaspect ruimte ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 10.1: De begrippen op, onder, achter, voor, midden, boven-, onder- en zijkant illustreren
Doel 10.2: De begrippen dichtbij, dichter bij, verder weg, veraf, naast, rechter- en linkerkant illustreren
Doel 10.3: Dingen in de werkelijke ruimte ordenen volgens een criterium waarbij de begrippen voor, achter, en naast functioneren in een beschouwings- of creatieproces
Doel 10.4: De oppervlakte van het tekenpapier functioneel aanwenden
Doel 10.5: Ruimtelijke relaties aangeven door in hun tekening bij elkaar horende zaken bij (naast, onder, boven of in) elkaar te tekenen
Doel 10.6: Driedimensionale objecten tekenen in combinaties van aanzichten
Doel 10.7: Ruimtelijke relaties aangeven door overlapping en afsnijding
Doel 10.8: Een grondlijn of horizon als zodanig in een tekening hanteren
Doel 10.9: De begrippen: perspectief, standpunt, vogelperspectief, kikvors-perspectief, voor- en achtergrond illustreren
Doel 10.10: Ruimtelijke relaties aangeven door wat verder weg is kleiner voor te stellen
Doel 10.11: Ruimte suggereren door dichtbij de kleuren feller en de vormen duidelijker te maken
Doel 10.12: Ruimte in een tekening suggereren door wat dichter bij is meer gedetailleerd te tekenen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Vooral de doelen in het vet aangeduid, zijn voor mij nog onduidelijk. Dit kan ik dus niet overdragen!
De overige doelen, hiervan heb ik notie en zou ik proberen over te dragen op een goede manier. Doch vind ik het moeilijk om te zeggen dat ik deze doelen al kan. Ten eerste: het is moeilijk te zeggen dat je niets kan, maar het is nog moeilijker om te zeggen dat je het wel al kan. Ik vind het eigenlijk wel wat moeilijk om de cirkel van de overdrager op deze moment al te bespreken, mits onze ervaring nog vaag is. De meeste doelen heb ik al gezien, gehoord of toegepast in mijn vorige opleiding: Kleuteronderwijs, indien ik dit niet gehad had, zou ik zeker met de meeste doelen zeggen dat ik deze niet kan overdragen.
11. Het beeldaspect ‘lijn’ ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 11.1: Het gebruik van lijnen in de omgeving illustreren (spinnenweb, trottoirbanden…)
Doel 11.2: Beseffen dat lijnen door herhaling vaak een patroon vormen (dakpannen, stenen in de muur, tegels op de speelplaats…)
Doel 11.3: De begrippen spiraalvormig, grillig, diagonaal en evenwijdige arcering toepassen
Doel 11.4: Verschillende vormen van lijnen toepassen in tekenwerk (gegolfd, hoekig, zigzag, vloeiend, dik, dun, rafelig…)
Doel 11.5: Ritme illustreren door gevarieerd herhalen van lijnen
Doel 11.6: Het verband tussen vorm en functie illustreren (dakpannen, schubben…)
Doel 11.7: De gevoelswaarde van een lijn in het werk van kunstenaars aangeven
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Ik snap de doelen wel, maar zou ze nog niet allemaal kunnen overdragen. Doel 11.4 ligt me het meest in mijn middelen. Hier heb ik dan ook al wat oefeningen van gezien in de kleuterklas, lijnen overtekenen = oefening: leren schrijven.
12. Het beeldaspect ‘vorm’ ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 12.1: Vormen onderscheiden en ordenen op grootte en vormsoort (classificeren en seriëren)
Doel 12.2: De volgende begrippen illustreren: gelijk, verschillend, groter dan, kleiner dan, korter dan, langer dan, schijf, vierkant, hoek, driehoek, bol, blok en rolvorm
Doel 12.3: Bovengenoemde begrippen en vormen, herkennen, benoemen en verwerken in een samengestelde vorm
Doel 12.4: Vormen kunnen voorstellen door een omtreklijn, door vlakken of volumes
Doel 12.5: Een vorm zodanig versieren dat het karakter ervan wordt versterkt
Doel 12.6: Beseffen dat de vorm in relatie staat met de functie ‘ stileren ‘ (vorm van racewagen tegenover vorm van gezinswagen)
Doel 12.7: Symmetrie toepassen
Doel 12.8: De begrippen asymmetrie en verhouding toepassen
Doel 12.9: Beseffen dat vormen een emotionele lading en karaktereigenschappen kunnen hebben zoals agressief, slap, sierlijk, robuust
Doel 12.10: Beseffen dat vormen symbool kunnen staan voor inhouden (bv. Beeld V-teken voor vrede)
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Slechts een deel van de bovenstaande doelen zou ik me zien realiseren, de doelen in het vet lijken mij nu nog te moeilijk. Misschien ook wel dat ik niet concreet genoeg weet wanneer en in welke context aan deze doelen gewerkt kunnen worden.
13. Het beeldaspect ‘kleur’ ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 13.1: Kleuren onderscheiden en ordenen (classificeren en seriëren)
Doel 13.2: De kleuren rood-oranje-geel-groen-blauw-paars, wit en zwart, grijs en bruin aanwijzen en benoemen
Doel 13.3: De hoofdkleuren geel, rood en blauw (primaire kleuren) toepassen
Doel 13.4: Beseffen dat je een nieuwe kleur kunt maken door twee of meer kleuren te mengen en dat toepassen
Doel 13.5: Door te mengen van de hoofdkleuren (primaire kleuren) rood, geel, blauw de nevenkleuren (secundaire kleuren) paars, groen, oranje maken
Doel 13.6: Bruin en grijs maken door mengen
Doel 13.7: Een kleur lichter en donkerder maken door mengen
Doel 13.8: Verschillende tinten van groen (paars, oranje…) maken door mengen
Doel 13.9: Door middel van kleur een bepaald element in een werkstuk of een deel ervan in het oog laten springen
Doel 13.10: Harmonie illustreren door gelijkheid en/of door tegenstelling van kleur
Doel 13.11: De begrippen koude en warme kleuren, lichte en donkere, vrolijke en sombere toepassen
Doel 13.12: De symboolwaarde van kleuren illustreren
Doel 13.13: Illustreren dat kleuren (persoonlijke) gevoelens kunnen oproepen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Over het algemeen zou ik deze doelen wel kunnen toepassen en dus overdragen. Toch heb ik doel 13.10 + 13.12 in het vet gezet, hiervoor zou ik me verder moeten verdiepen, daar ik niet meteen een richting zie om deze doelen te verwerken en over te dragen.
14. Het beeldaspect ‘ compositie ‘ ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 14.1: De begrippen onder, boven, opzij, naast toepassen om een vorm op een vlak te situeren
Doel 14.2: De begrippen vol en leeg illustreren
Doel 14.3: Een patroon vormen door herhaling
Doel 14.4: Lijn, vorm- en kleurcontrast toepassen
Doel 14.5: De begrippen: herhaling, evenwicht (figuurlijk), eenheid en aandachtspunt illustreren
Doel 14.6: De begrippen dynamische en statische compositie toepassen
Doel 14.7: Een werkstuk creëren als onderdeel van een groepswerk
Doel 14.8: Bij een losstaand beeld aandacht besteden aan de vormrijkdom van alle aanzichten
Doel 14.9: De functie van een sokkel (presenteren, waarde accentueren) verwoorden en toepassen
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
De eerste drie doelen lijken mij realiseerbaar te zijn, en dus als ja, ik kan deze overdragen aan kleuters. De (vet) aangeduide doelen, hier zie ik niet meteen de bedoeling = de opdracht = de opzet om kleuters dit te laten ondervinden.
15. Het beeldaspect ‘ textuur ‘ ervaren en toepassen
Dat houdt in:
Doel 15.1: De begrippen hard, zacht, ruw, glad, harig, stekelig, blinkend… illustreren
Doel 15.2: Beseffen dat texturen onder meer gevoelens kunnen oproepen
Doel 15.3: Illustreren dat texturen functioneel kunnen zijn (behaard – warm; glad – proper…)
Kan ik bovenstaande doelen nu al overdragen aan kleuters, ik als onderwijzeres?
Met deze doelen voel ik me al beter, en zie de opzet hiervan beter in. Ik zou het wel zien zitten om bepaalde opdrachten op te zoeken en uit te werken zodat ik hetgeen dat moet kan overdragen.
Alleen doel 15.2 biedt me toch wat onzekerheid, wat wordt hier exact mee bedoeld?
Welke doelen kan ik de respectievelijke deelleerplannen al realiseren? Welke niet?
6) Media:
Wat media betreft, hier vind ik geen doelen van terug. Ik heb slechts volgende leerplannen:
• Muzikale opvoeding
• Beeldopvoeding
• Dramatisch spel
• Bewegingsexpressie
• Muzisch taalgebruik
• Algemeen plan
In al reeds eerder besproken punten, heb ik nog weinig voeling met het begrip: Media.
Dus is dit zeker en vast, een belangrijke pion om te onderzoeken en een beeld van te krijgen. Mijn doelen zijn de volgende:
• Zoeken naar wat is media,
• zoeken naar wat kan ik met media en kleuters doen?
• Wat zijn hier de doelstellingen rond, en hoe kan ik beamen aan deze doelen?
Hoe kan ik eventuele tekorten bijwerken? Actieplan:
Algemeen wil ik dingen oppikken vanuit de lessen Muzische vorming.
Verder splits ik alle onderdelen op en zou de tekorten aanpakken op deze wijze:
Muzisch taalgebruik: Opzoeken in de mediatheek, leerplan Muzisch taalgebruik hanteren en lezen, raad vragen aan mijn stagementor, internet, liedjes zoeken, op men keyboard uitproberen, Cd’s aanschaffen..
Beeld: Opzoeken in de mediatheek, leerplan Muzisch taalgebruik hanteren en lezen, raad vragen aan mijn stagementor, internet, leren materialen verkennen: piepschuim, oasis, bloemschikken, leren uitzoeken met welke materialen ik creatief kan zijn, ik de kleuters kan uitdagen om expressief te zijn...
Media: Opzoeken in de mediatheek, leerplan Muzisch taalgebruik hanteren en lezen, raad vragen aan mijn stagementor, internet, activiteiten zoeken waardoor de kinderen zichzelf kunnen opnemen op een cassette, cd’s gebruiken in lessen om activiteiten af te sluiten..
Samengevat:
Bovenstaande onderdelen uit het muzische: zou ik willen uitwerken / uitproberen in mijn stageklas of met de petekinderen en kleinkinderen uit mijn familie. We hebben ook nog heel veel vrienden met kindjes = kleuterleeftijd. Dit is voor mij de enige werkvorm die ik kan hanteren buiten mijn werk en de studies. Deze kansen zal ik zeker proberen te nemen. Verder zou ik naargelang de tijd die ik nog heb, willen richtingen / activiteiten zoeken waarmee ik me muzisch en expressief verder kan exploreren, daar dit wel dingen zijn die ik leuk vind.
Mijn grootste leerwens is voor alle doelstellingen rond Muzische vorming: werken aan de leemtes die ik heb, door de nodige opzoekingen te doen, te oefenen, mijzelf vragen stellen = evalueren van verloop + zelfevaluatie, raad vragen aan mijn stagementor, mijn medestudenten, …
Wanneer ik de kans heb, wil ik graag nog eens naar een Plopshow gaan of een voorstelling op niveau van kinderen, zodoende ik voor mezelf wat kan punten noteren wat leuk is, waarmee ik rekening kan en moet houden… Creatief bezig zijn, mijn keyboard nog eens gebruiken en zo ook men stem wat oefenen…
Wat heb ik al meegenomen uit de lessen Muzische vorming:
1) De zoektocht naar de prinses --> Luc Van Helmont:
Tekens op een muur, symbolen. Wat willen ze zeggen? Leren nadenken over deze symbolen, leren koppelen aan mezelf, bespreken in groep. Een verhaal heeft een begin, en normaal gezien ook een einde. Zoals deze tekens = de zoektocht naar de prinses hun betekenis hebben, zo kunnen wij onze link ook leggen naar het zoeken van een verhaal. Voor mij betekent dit persoonlijk, ik ben gestart aan deze richting. Daar ik mezelf op mijn huidige werkplaats niet meer super voel, daar ik vooral het contact met de kinderen mis, daar ik spijt heb dat ik 10 jaar geleden gestopt ben met de richting kleuteronderwijs, vandaar dat ik mijn stevige schoenen aangetrokken heb, en dus kan zeggen: “ Ik weet wat ik wil bereiken, ik weet waarvoor ik wil gaan! “ Maar opgelet: hoe en welke wegen ik hiervoor zal moeten afleggen deze zijn nog even onbekend. Ik heb er een idee over, maar of me dit werkelijk nog zal lukken, dat zal ik zien bij het beëindigen van het 1ste, het 2de en 3de = afstudeerjaar! Dan kan ik de haakjes sluiten wat betreft mijn opleiding zelf. Verder zullen wij nog vaak moeten zoeken wat we gaan doen met de kleuters, alle begin is moeilijk, is zoeken, is …. Of we meteen een job zullen vinden is ook een vraagteken, hopelijk natuurlijk wel! Mijn zoektocht is nu vooral: kennis maken met de vakken, de doelen, en vooral de nodige kennis om mijn droom te verwezenlijken: een kleuterjuf worden!
2) Muziek voedt:
Wat heb ik hieruit opgevat: Eerst vond ik het wat gek in elkaar steken. Luide muziek was hoorbaar in de gangen en liet ons naar het juiste klaslokaal stappen. Een eerste prikkel naar de muzische dag!
We startten met het volgende: een kunstwerk maken van schoenen die we meegebracht hadden, verschillende dingen uitproberen met schoenen en een foto van nemen, …
Daarna werden we opgedeeld in groepen. Ons dagschema zag eruit als het volgende:
• Groep 1: Dans
• Groep 2: Muziek maken met lichaam
• Groep 3: Drama: zich inleven in verschillende situaties
• Groep 4: Geschiedenis van de schoenen, gevolgd door een bezoek aan het modemuseum.
Beleving:
Dans, ik vond dit wel leuk, het is op zoek gaan naar ritme en uiten, vanuit gevoel, in de maat, of we nu net dit met kleuters zouden doen, lijkt me helemaal niet de boodschap. Jezelf zoeken is hierin de boodschap. Dansen doe ik wel graag, en het beleven van de muziek en hierdoor wat pasjes uitvoeren, is voor mij een goed doel om zelf tot wat kennis en oefeningen te komen.
Muziek maken met lichaam:
Dit was voor mij al een werkpunt dat korter bij de beleving van de kinderen ligt. Met wat kan je muziek maken? Met je handen, je voeten, je vingers, je mond, …. Ieder doet dit op zijn eigen creatieve wijze. Een beat wordt gevormd, een geluid sluit zich verder aan, een geheel wordt gevormd. Leuk!
Drama: gevoelens, blij, bang, boos, oud, jong, … Om je tot expressie te laten komen, heb je wel een voeling nodig. Hoe uit ik blij zijn? Hoe uit ik angst? Hoe doe ik dit op ritme van de muziek? Dit kan je echt wel gebruiken in de kleuterklas. Fijn is dit wanneer je rond gevoelens wil of misschien met noodzaak moet werken. Indien de situatie zich voordoet, en je wil een pestmoment aanpakken, is het goed dat jezelf deze situatie kan uitvoeren zodat de werkelijkheid naar boven komt!
Geschiedenis van de schoenen: Eerlijk gezegd had ik hier weinig aan. Ik vond dit het minst geslaagde van de dag. Ik kan natuurlijk wel begrijpen dat dit een aanzet is tot nadenken over vroeger en nu, maar om dit echt zo te gebruiken met kleuters, neen, zou ik niet echt zien zitten. Dan zou ik liever de waarneming in handen nemen zoals we laatst in basiskennis kleuter gezien hebben. Het modemuseum was er dan ook net teveel aan. Ik werk voor Euro Shoe Unie, het verdeelcentrum van de schoenen, ik zie regelmatig zoveel schoenen dat ik dacht, van oei, nu dat ook nog.
Al bij al zijn er toch heel wat dingen die voor mij betekenis hadden, die ik wil meenemen naar de kleuterklas.
3) Impressie / expressie:
Wat heb ik geleerd in deze les: gericht leren kijken, onze ogen gebruiken, wat ik zonet opgemerkt heb, heeft iemand anders niet gezien, sommige dingen zien we allemaal, naar anderen dingen moeten we gericht leren kijken. Ogen sluiten en leren dingen voorstellen, ben ik zeker? Heb ik dit wel gezien? Waar? Hoe? Waar is de venster in de deur? Zijn het dingen waar we wel naar kijken?
Dingen leren beleven en ontdekken, spelen in de herfstblaadjes, spelen in de modder, spelen met water: Het regent, er is veel wind.., warmtebronnen – washandje – een pot met water en een product… Met plastiek kan ik wind maken, het is precies de zee. Dit zijn zeker en vast dingen die mij bijgebleven zijn, waar ik wil aan werken om deze mee te nemen in de kleuterklas.
Hoe voel ik mij? Vrolijk, bang, kwaad. Hoe kan ik dat laten zien of opmerken. Wat denk je van een meester die Goedemorgen op een vrolijke of een kwade manier zegt, hoe vat je dit op als persoon.
Wat vind je van bepaalde prenten, maken ze je vrolijk? Wat kunnen ze betekenen in een bepaalde situatie, hoe kijk jij als persoon naar een situatie? Wat is het hardst: een speelgoedje, een potje, …?
Impressie en expressie staan steeds kort bij elkaar, ik als persoon, mijn eigen individuele uiting door een impressie, iets wat mij aangeboden is, een prikkel, een materiaal, ..
Door concreet waar te nemen, verrijk ik mezelf, ik probeer het geen wat ik dagelijks zie te verbreden door naar andere dingen te kijken, hierdoor kan ik creatiever worden.
4) Grimeren en schrijfdans:
Wat heb ik vanuit deze les ervaren, geleerd, ontdekt…
Eerst en vooral het grimeren was heel leuk. De techniek, de sponsjes, de penselen..
Voor mij is dit een leuke activiteit die gerust in de kleuterklas aan bod kan komen. Leuk idee om feestjes houden te verrijken.
Schrijfdans: een bijzondere ervaring. In allerlei materialen: gel, scheerschuim, wasco’s, zand, …
Belangrijk was emoties uiten, en gevoelens uiten op ritme van de muziek. Het ontdekken van materialen, het in aanraking komen met de huid, de handen, de vingers, vlug, traag, naar aanleiding van de muziek.
Het kan ontspannend werken, maar voor sommige kleuters zou het misschien ook wel spannend kunnen werken. De stap durven zetten om uw handen vuil te maken, het leren aanvoelen en aanraken van materiaal op de huid..
5) De plaats van ‘ veiligheid ‘ binnen muzische opvoeding:
Ook in deze les, leer je rekening houden met wat veiligheid is, een veilig of onveilig gevoel hebben.
Naar aanleiding van een te uitvoeren opdracht, kadert veiligheid een belangrijk begrip.
Wat voor u veilig is, kan voor iemand anders onveilig zijn. Indien jij iets alleen moet uitvoeren, of we doen dit allemaal geeft ook weer een bepaald gevoel. Wat voor jou een gewone opdracht is: teken een auto, kan veilig zijn, maar teken een lijnbus kan onveilig zijn.
Scheuren met de ogen open is veiliger, dan dezelfde opdracht uit te voeren met gesloten ogen. Dierengeluiden maken samen is veiliger dan dat jij alleen een geluid moet maken voor een hele groep.
Samenvatting van de taak:
Kortom op verschillende doelen zijn er werkpunten, zijn er dingen die zullen lukken, zijn er dingen waarvoor we nog niet bekwaam genoeg zijn. Sowieso is mijn doel zoveel mogelijk groeien in die zaken. Zoveel mogelijk uitproberen, vragen stellen aan anderen leerkrachten/studenten, de computer, de bibliotheek, de mediatheek,…
Mijn doel op zich is nu stilaan alle activiteiten verder te gaan ontwikkelen door te “proberen”.
A.d.h.v. een schema uit te werken, hoe ik de activiteiten wil gaan aanbrengen, hoe en waar ik deze ga opzoeken… Per keer ik iets zal uitproberen, maar ik voor mezelf een verslag: een evaluatie: hoe is het gegaan? Was het leuk? Was het niet leuk? Wat was storend? Wat was goed? Wat vonden de kleuters? Te kort? Te langdradig? Te weinig impulsen?...
Dit zal een hulpbron zijn om de volgende activiteit te brengen.
Mijn werkpunt is eveneens ook per keer een activiteit gedaan wordt, de doelen uit het leerplan weer zorgvuldig na te gaan. Aan welke doelen wil ik werken? Wat kan ik inschakelen binnen de leeftijdsgroep?
De 3 codes:
Stippellijn: rond deze doelen mag al worden gewerkt (kennis maken met activiteiten…)
Dikke volle lijn: rond deze doelen moet systematisch gewerkt worden (doel verwerven..)
Grijze oppervlakte: doelen blijven belangrijk: verdieping – verruiming activiteiten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten